music

shop

Inspirational

Zend ons jouw foto met ons hemdje en we plaatsen hem hier

Send us your pic with our T-shirt and we’ll post it here

En 't zijn $ geen € he mannekes MP3, MP3 320, and FLAC files. +/- 9€

Verriest:

 

Eertijds heeft er een volk bestaan, edel en groot, de wereld rond bekend.

 

Voor vijf, zes honderd jaar en hadt gij onder de zon geene bezochte streek gevonden waar men den vlaming niet kende, waardeerde en prees. Velen in Europa zelf weten bijna niet meer dat er nog vlamingen bestaan.

 

Een mijner beste vrienden was eertijds te Wenen, in Oostenrijk, en verbleef daar enige maanden. In kennis met duitsche lieden, die vrienden geworden waren en hem voor Belg aanzagen, zei hij eens dat hij vlaming was. Vlaming? antwoordde men hem, vlaming, dat is toch van dat oude Vlaamsche volk niet, met zijnen uitgestrekten handel, met zijne kunst, met zijn machtige legers, die vochten met de Oostenrijkers tegen fransche inbreuk'.

 

Dat volk is lange dood. Maar als zij hoorden dat hij oprecht vlaming was van oud ras en van ouden eed: oh! dan rees hij hemelhoog in hun gedacht. België kenden zij wel! dat klein land liggende tusschen Frankrijk en Duitschland; maar Vlaanderen, 't oude Vlaanderen, met geheel zijn verleden, oh! dat was wereldgroot.

 

Welnu, dat groot, dat edel volk moet wederom onder de zon komen, leven, roeren, spreken, werken, in een woord, bestaan. — Geen ander volk, geen nieuw volk, dat volk. Dat volk had vrijheid, als geheel Europa nog in eene soort van dienstbaarheid stond en den dwang op zijne schouders en in zijn hert gevoelde: het vlaamsche volk alleen mocht van rechten spreken, zijne prinsen en heeren vrij in het gezicht kijken, en zeggen: `Wij willen.'

 

Hebt gij nog Brugge bezocht en zijn schoonen Halletoren?

 

Veertig trappen hooge ligt er eene zale, onder en boven steenen voute, bachten muren van drij voet dikke. In die muren is er eene diepte gewrocht, bevrijd' door twee zware ijzere traliedeuren. Bachten die traliën liggen er onroerbare, zware, eiken koffers, geheel en gansch met ijzer beleid en beslegen. Een reesem sloters zijner nodig om ze te openen en ieder slot is verschillig. 't Bestier had een sloter, de Stad en de Dekens der gilden... Allen moesten tegenwoordig zijn om de koffers open te doen. Daarin lagen de vrijheden en de voorrechten ofte privilegiën, en zoo een van hen had durven eene inbreuk beproeven, oh! dan zong de stormklok haar lied, de vaandels wapperden, de klaroenen schetterden, de trommel sloeg en de wapens klonken door de straten en op de vrije markt.

 

Gij kent de historie van Maximiliaans en zijn gevang te Brugge, van Karel de Stoute te Gent, van de Witte Kaproenen , van de machtige Gilden en van het vrij spreken van dat vrije volk. Gij kent de wonderbare namen van ons oude volk: de Coninck en Breidel, Artevelde, Yoens, vanden Bossche, Ackerman en Zannekin en honderd andere.

 

— Bij de Grieken, zegt een onzer schrijvers, zouden het halve goden geweest zijn, in Vlaanderen waren het burgers. Dat volk had macht. De vaderlandsche historie is al een wonderbare boek. Dat kleen groot Vlaanderen staat tegenover machtige koning- en keizerrijken, met het zweerd in de vuist en den gulden mantel op de schouderen. Het en buigt noch en wijkt voor niemand.

 

Flips de Schoones heeft het ondervonden te Kortrijk en te Rijssel, en Lodewijk van Nevers en Lodewijk van Male en al de koningen en graven die eens meester waren over Vlaanderen.

 

De historie van Engeland, Oostenrijk, Frankrijk, Spanjen, draagt den vlaamschen naam op ieder blad. Portugal heeft zijn bestaan aan eenige honderde Vlamingen te danken'. Spreekt dan nog van die reuzentwisten tusschen de vlaamsche steden! Twintig andere natiën en volken zouden ineengestort zijn en waren bezweken onder zulk geweld, zulken twist en tweedracht. Maar Vlaanderen stond pal gelijk de rotsel -- Vlaanderen heeft aan allen stormen wederstaan, maar nu wierd het stillekens ondermijnd, en het dreigt in te storten en te verdwijnen.

 

Dat volk had nyver en wereldhandel.

 

Gij kent allen zijne vrije markten, en zijn volk- en schatrijke steden. Heden nog spreken zij luide genoeg van verleden welvaart. Doorloopt eens Brugge met zijne hallen, landhuizen, panden en markten. Weet het alleenlijk nog hoevele duizende schepen er binnen kwamen gevaren op een jaar, tot onder de afgesmeten Waterhalle van de grote markt, waar zij in 't drooges losten en laadden? Ei, wat kinderen om in die paleizen te wonen! Oosten en Westen, Zuiden en Noorden kwamen samen in Vlaanderen om ontelbare schatten te verwisselen.

 

Dat volk had kunst.

 

Nu nog staan zijne twee schilderscholens door geheel de wereld bekend en het goud rolt op hunne doeken. Beziet ook zijne stadhuizen, zijne hallen, zijne kloosters en prachtige kerken; en Van Maarlants lied is nog niet vergeten.

 

Dat volk had eene tale,

 

uitdruk van eigen bestaan, gepeis en gevoelen. Het sprak en schreef zijn eigen woord met koningen en prinsen. Het handelde zijn eigen zaken met eigen tonge; schreef eigene wetten in eigene taal; oordeelde, bestierde9, sprak, bad, in een woord leefde in zijn vlaamsch.

 

Beziet dat oud vlaamsche volk!

 

Zoo heeft er dan een volk bestaan dat van boven tot beneden één was en vlaamsch, dat volk moeten wij doen herleven, en ik zeg het nog een keer, geen ander, geen nieuw; dat volk.

 

Dat volk heeft zijnen roem en luister, zijne macht en sterk- Zijne neringen en rijkdommen gehaald uit eigen gedacht, wil en bestaan. Wat is er in Vlaanderen veranderd? Het ligt nog op dezelfde plaats zoo ik meen! De zee woelt nog op zijne boorden; Schelde en Leie stroomen nog door zijne vellen en steden; 't land is even vruchtbaar! Wat is er veranderd en waarvan is Vlaanderen gezonken? — Het heeft zijn even en eigenaardigheid verloren.

 

Wij moeten het doen herleven in ons eigen. Oh! 't en is niet gelijk velen peizen, 't en is niet van 't bestier des lands, van de provincie niet dat het vlaamsch moet komen. 't Is van ons; 't is wij die het moeten naar boven dwingen. Hebt gij dan de oude historie van Vlaanderen vergeten? Hebben de Heeren en prinsen het vlaamsch volk gesticht? Zij schrikken er van. Maar 't vlaamsch volk ging in 't geheim, hand en land, naar het gekende doel. Het ging en kwam er. Wij ook tij moeten gaan, Wij! — wij moeten werken, Wij! — 't Is in ons dat het vlaamsch volk eerst moet bestaan; in onzen geest, in ons hert, in onzen wille en werk.

 

Eerbiedigen wij van het vlaamsch in onze gedachten en hunnen vorm, in onze gevoelens en in ons spreken. Oh! ik heb den tijd geweten dat het eene eere was van geen vlaamsch te kunnen, en zeidt ge van iemand dat hij waarschijnlijk geen vlaamsch sprak maar fransch alleen, hij nam zijnen hoed af en lachte u minlijk en dankbaar toe. Er zijn er eilaas nog zulken, maar God zij gedankt, 't zijn degene die de bovenkamer wat ijdel dragen en wien de hersens onder de pan niet te zwaar en liggen. Wij moeten vlaamsch zijn in ons eigen, in onze gevoelens, in ons wezen. Wij moeten vlaamsch zijn in huis, in familie, en opvoeding en in gebruiken; met de twee handen houden en erven al hetgeen onze grootheers en ouders achterlaten van vlaamsche doeninge en vlaamsche zeden. Niet alleenlijk in huis, wij moeten vlaamsch zijn buiten, in het openbaar leven, op straat, op ijzeren wegen, in geheel onze handel en wandel; daar taal, doenwijze, zeden, vlaamsche beleefdheid dragen.

 

Wij moeten vlaamsch zijn in onze betrekkingen met overheid en met bestier. In een woord wij moeten het vlaamsch in geen pakske dragen dat wij van tijd tot tijd open doen, wij moeten vlaamsch zijn, — zijn! Wij moeten het vrij gevoel, de macht, het werk, de kunst, de tale, den godsdienst, de eigenaardige hoedanigheden en deugden in ons doen herleven en in ons dragen. Die daartegen werkt verandert, verkrenkt en verderft, of vermoordt de vlaamsche beweging. Nooit heeft hij ze verstaan. Hij weet niet waar hij naartoe wil.

 

Hij zoekt geen vlaamsch, maar wat nieuws, dat vlaamsch heet, maar niet is, en sterven moet. Dat volk moeten wij weêr opbrengen, want het en bestaat niet meer ten zij in zijnen ondersten grond en wortel. Het bestaat nog in den landschen burger en boer. Hij, en hij alleen heeft nog tale, gebruiken, vlaamschen aard en kinderen; maar hij en heeft in 't algemeen noch geleerdheid, noch opvoeding, noch beschaving, en mist andere hoedanigheden van den ouden vlaming.

 

Dat en zeg ik niet uit smaad en tot schande. Neen! ik wete te wel van wien ik geboren ben en heb te veel eerbied voor zijn gezond en gegrond oordeel en voor zijne mannelijke deugd, voor zijne treffelijkheid, en voor zijn vlaamsch gemoed en inborst. Ik stelle hem verre boven ons: Wij zijn de uitsteekberden, en hij de eiken tjok; Wij zijn beschilderd en versierd, en dragen gulden letters, maar 't is ijdele schijn, en 't berd is dood en gestorven.

 

Onder zijne ruwe schors integendeel zit er sterkte en leven: plant hem, en de boom zal schieten en reiken hemelhoog. Ik zegge dan: neemt dien vlaming gelijk hij is, als er geen fransche beschaving en bederf overgegaan is, noch iets vreemds: neemt hem, gelijk gij hem zelve kent, geboren en gekweekt, groeiende en bloeiende te midden van onze vlaamsche nature; en 'k vraag aan iedereen van u, of gij een treffelijker schepsel onder God zijnen hemel kent?

 

Ware daar nog eene vlaamsche beschaving en sierlijkheid overgegaan die alle volk eigen is dat eigen bestaan heeft, en naar den vreemde zijne handen niet uitgesteken heeft, wat zou de edele vlaming geworden zijn? Hadden eigen beschaving, opvoeding en geleerdheid hem gevormd, opgeholpen en omhoog gedragen, Hij zou met hoofd en schouders boven de wereld uitsteken; Hij hadde het oude sterk verstand, het edel herte, den vrijen wil, de treffelijkheid, de rondborstigheid en de christen deugd.

 

Daar het nu alzoo niet en is noch en kan zijn, laat ons werken om al dat vlaamsch is te bewaren altijd en overal, al dat vlaamsch is te doen kennen en in eere te brengen. Laat ons eerst zelve geleerde verstandige brave en treffelijke vlamingen zijn, op zijn vlaamsch, en als 't u belieft, geen vlamingen met vreemd beslag, en waan, en wind; geen vlamingen die fransch zijn van hair tot teenen, in zotten waan en lichtzinnigheid, in oogverblinding en liegende gebaren.

 

Laat ons eigen zijn! en dan het hoofd omhoog en vooruit, zeker en vast en onwankelbaar! Laat ze nevens' ons peizen en zeggen en doen wat zij willen; lachen en spotten zooveel als zij willen, Wij intusschen altijd in 't eigen spoor, vooruit! Alzoo zullen wij 't oude Vlaanderen weêr mogelijk maken, en kampt men ons tegen2, als 't nood doet de oude vlamingen zullen rijzen uit hunne graven om ons te helpen.

 

Zoo zeg ik voor laatste woord:

 

— Vlamingen weest gij zelve vlaamsch!

 

— Vlamingen helpt Vlaanderen op!

 

— En daartoe helpe u God!